Ruiters krijgen regelmatig te horen dat hun paard “meer vanuit de achterhand” moet bewegen. Maar wat bedoelen we daar precies mee?

Actief dragen met de achterhand betekent dat een paard zijn achterbenen niet alleen gebruikt om zich vooruit te duwen, maar ze ook buigt en belast om zijn lichaam gecontroleerd te dragen. Dat vraagt om samenwerking tussen de achterbenen, het bekken, de romp, de rug en de buikspieren.

Het gaat dus niet simpelweg om harder lopen, grotere passen maken of de achterbenen zo ver mogelijk onder het lichaam plaatsen. Pas wanneer het paard zijn hele lichaam beter leert organiseren, kan het gemakkelijker in balans bewegen en minder zwaar op de voorhand steunen.

Ondertreden is niet hetzelfde als dragen

Een achterbeen dat ver naar voren stapt, ziet er vaak actief uit. Toch zegt de plaats waar de hoef neerkomt niet alles.

Een paard kan het achterbeen ver onder het lichaam plaatsen en het vervolgens vooral gebruiken om zich krachtig naar voren te duwen. Dat noemen we stuwkracht. Stuwkracht is nodig om vooruit te bewegen, maar leidt niet automatisch tot meer balans.

Bij actief dragen buigt het paard de gewrichten van het achterbeen en neemt het gedurende een kort moment meer gewicht op. Daardoor kan het lichaam gecontroleerder over de benen bewegen.

We kijken daarom niet alleen naar hoe ver het achterbeen ondertreedt, maar ook naar:

  • de buiging van het achterbeen;
  • de controle over het tempo;
  • de stabiliteit van romp en bekken;
  • de rechtgerichtheid;
  • de ontspanning in rug, hals en kaak;
  • het vermogen om vloeiend door te bewegen.

De achterhand kan pas meer dragen wanneer het hele lichaam daartoe in staat is.

Waarom is actief dragen met de achterhand belangrijk?

Van nature draagt een paard een relatief groot deel van zijn gewicht op de voorbenen. Daar komt tijdens het rijden het gewicht van de ruiter bij.

In de opleiding leren we het paard daarom om zijn lichaam steeds beter te organiseren. Het doel is niet om al het gewicht naar de achterhand te verplaatsen. Dat is anatomisch onmogelijk. Het doel is een betere verdeling van het gewicht en meer controle over de beweging.

Een paard dat zijn achterhand goed leert gebruiken:

  • blijft gemakkelijker in evenwicht;
  • kan vloeiender van tempo en richting veranderen;
  • steunt minder zwaar op de hand;
  • beweegt met meer controle;
  • kan zijn romp beter stabiliseren;
  • ontwikkelt geleidelijk meer kracht voor het dragen van een ruiter.

Deze ontwikkeling kost tijd. Ze ontstaat niet door één oefening, maar door consequente en gevarieerde training. Wil je je paard onder begeleiding leren trainen vanuit gedrag, leervermogen en biomechanica? Bekijk dan de mogelijkheden voor training met je paard bij Paard Centraal.

Achterwaarts als oefening

Een bruikbare oefening om actief dragen met de achterhand en een betere lichaamscontrole te ontwikkelen, is enkele passen achterwaarts. De waarde van de oefening zit niet in het aantal passen, maar in de manier waarop het paard zijn benen plaatst, zijn romp stabiliseert en zijn lichaamsgewicht verplaatst.

Achterwaarts vraagt van het paard dat het de benen nauwkeurig plaatst, de romp stabiliseert en het lichaamsgewicht gecontroleerd verplaatst. Wanneer de oefening rustig en correct wordt uitgevoerd, kan ze bijdragen aan:

  • bewustere plaatsing van de achterbenen;
  • betere coördinatie;
  • meer buiging van de gewrichten;
  • stabiliteit van romp en bekken;
  • een vloeiende overgang tussen dragen en bewegen.

Het is verstandig om de oefening eerst vanaf de grond aan te leren. Het paard hoeft dan nog niet tegelijkertijd het gewicht en de hulpen van een ruiter te verwerken.

Begin met een goede halt

Een goede pas achterwaarts begint niet bij het achterwaarts gaan, maar bij de halt.

Het paard moet vanuit het stappen rustig kunnen halthouden zonder scheef te vallen, tegen de hand in te gaan of met de achterhand opzij te zwaaien. Het blijft aandachtig, recht en ontspannen staan.

Oefen daarom eerst de overgangen:

stap – halt – stap

Let daarbij op de volgende punten:

  • Het paard vertraagt zonder abrupt te stoppen.
  • De hals blijft vrij en ontspannen.
  • Het paard blijft zo recht mogelijk.
  • De ruiter of begeleider gebruikt geen grote trekkende hulp.
  • Het paard vertrekt na de halt weer rustig voorwaarts.

Wanneer de halt onrustig, scheef of gespannen is, zal het achterwaarts meestal dezelfde problemen laten zien.

Hoe ziet goed achterwaarts eruit?

Vraag in het begin slechts één of twee passen. Kwaliteit is belangrijker dan afstand.

Bij een correcte uitvoering:

  • beweegt het paard rustig en in een duidelijk ritme;
  • blijven de passen ongeveer even groot;
  • worden de benen opgetild en niet over de grond gesleept;
  • blijft het lichaam zo recht mogelijk;
  • blijft de hals vrij, zonder dat het hoofd wordt vastgezet;
  • reageert het paard op een lichte en duidelijke hulp;
  • kan het daarna direct en vloeiend voorwaarts vertrekken.

De oefening hoort gecontroleerd te blijven. Snel achteruit lopen is geen teken van kracht of een goed gebruik van de achterhand. Het wijst vaak op spanning, onbegrip of ontsnappen aan de hulp.

Gebruik de wand of een balk als hulpmiddel

Sommige paarden zwaaien tijdens het achterwaarts gaan met de achterhand naar links of rechts. Een wand, omheining of een balkje op de grond kan helpen om het paard meer richting te geven.

Plaats het paard daarbij niet strak tegen de wand. Laat voldoende ruimte over om vrij te bewegen. De wand dient alleen als visuele begrenzing en mag geen vervanging worden voor duidelijke begeleiding.

Blijft het paard structureel scheef bewegen, onderzoek dan eerst de oorzaak. Scheefheid kan voortkomen uit onvoldoende begrip, een onduidelijke positie van de begeleider, verschil in kracht of beweeglijkheid, spanning of lichamelijk ongemak.

Meer druk gebruiken lost die oorzaken niet op. Het maakt ze hooguit minder zichtbaar, wat in de paardenwereld helaas vaak voor een oplossing wordt aangezien.

Veelvoorkomende fouten

Te veel passen vragen

Meer is niet automatisch beter. Bij vermoeidheid neemt de kwaliteit af en gaat het paard eerder slepen, scheef bewegen of zich vastzetten.

Begin met één of twee goede passen. Bouw alleen verder uit wanneer het paard de oefening gemakkelijk en ontspannen uitvoert.

Aan het hoofd trekken

Achterwaarts hoort niet te ontstaan doordat het paard met druk aan het halster, hoofdstel of de mond naar achteren wordt getrokken.

De hulp geeft richting, maar het paard moet zelf zijn voeten verplaatsen. Te veel druk kan leiden tot spanning in kaak, hals en rug en vermindert juist de gewenste samenwerking door het lichaam.

Het hoofd laag dwingen

Een lage hoofdhouding bewijst niet dat het paard zijn rug goed gebruikt. Sommige paarden brengen het hoofd omlaag terwijl ze de rug wegdrukken of op de voorhand blijven.

Beoordeel daarom altijd het hele lichaam en niet alleen de positie van hoofd en hals.

Achterwaarts gebruiken als correctie

De oefening mag geen straf worden voor stilstaan, ongehoorzaamheid of voorwaartse spanning. Daardoor kan het paard achterwaarts gaan associëren met conflict.

Gebruik de oefening als rustige, technische opdracht met een duidelijk begin en einde.

Draagt achterwaarts bij aan een sterkere bovenlijn?

Correct bewegen kan bijdragen aan de ontwikkeling van de spieren rond rug, buik, bekken en achterhand. Achterwaarts kan daar een klein onderdeel van zijn.

Een gezonde en sterke bovenlijn ontstaat echter niet door dagelijks een paar passen achterwaarts te vragen. De ontwikkeling wordt ook beïnvloed door:

  • de bouw en leeftijd van het paard;
  • trainingsniveau en trainingsgeschiedenis;
  • voeding en lichaamsconditie;
  • hoefverzorging;
  • passend harnachement;
  • voldoende herstel;
  • variatie in beweging;
  • eventuele pijn of lichamelijke beperkingen.

Behandel achterwaarts daarom niet als een wonderoefening. Het is een hulpmiddel binnen een veel groter trainingsproces.

Wanneer is voorzichtigheid nodig?

Vraag geen intensief achterwaarts werk wanneer een paard pijn heeft, kreupel loopt of opvallend moeite heeft met de coördinatie.

Extra voorzichtigheid is nodig bij paarden met:

  • rug- of bekkenproblemen;
  • klachten aan de achterbenen;
  • neurologische problemen;
  • weinig kracht of stabiliteit;
  • veel spanning rond druk op hoofd of hals;
  • de neiging om ongecontroleerd achterwaarts te vluchten.

Bij twijfel hoort eerst onderzocht te worden waarom de oefening moeilijk is. Een paard dat niet correct achterwaarts kan, is niet automatisch ongehoorzaam. Het kan de vraag niet begrijpen, lichamelijk nog onvoldoende in staat zijn of ongemak ervaren.

Achterwaarts is een middel, geen einddoel

Het doel van de oefening is niet dat een paard zo veel mogelijk passen achterwaarts kan zetten. Het doel is dat het zijn lichaam bewuster, sterker en gecontroleerder leert gebruiken.

Een paar goede passen kunnen waardevoller zijn dan een hele rijbaan vol matige herhalingen.

Let daarom steeds op drie voorwaarden:

  1. Het paard begrijpt de hulp.
  2. Het paard blijft ontspannen en in balans.
  3. De beweging wordt beter door de oefening, niet slechter.

Actief dragen met de achterhand ontstaat uiteindelijk door de samenhang tussen kracht, coördinatie, ontspanning en balans. Achterwaarts kan die ontwikkeling ondersteunen, mits het zorgvuldig wordt aangeleerd en met mate wordt toegepast.

Binnen de Paardenschool leren studenten niet alleen welke oefeningen ze kunnen gebruiken, maar vooral hoe ze de kwaliteit van een beweging beoordelen en een training logisch opbouwen. De opleiding behandelt onder meer paardengedrag, leervermogen en het technisch trainen van paarden.

Wil je meer lezen over achterwaarts?
Ook in de internationale dressuurrichtlijnen wordt achterwaarts beschreven als een diagonale beweging waarbij het paard recht, rustig en gecontroleerd hoort te blijven bewegen.
Deze ontwikkeling past binnen het bredere doel van dressuur: het paard opleiden tot een soepel, ontspannen en atletisch paard dat de ruiter in balans kan dragen.